Wil Hoppenbrouwer verhaalt hier over de bakkerswinkel:

Even
terug naar de bakkerswinkel.

Het
lijkt mij het beste, dat jullie je even verplaatsen naar de laatste anderhalf
jaar van de tweede wereldoorlog. Brood
was al een paar jaar op de bon. Het laatste jaar, schrik niet, kreeg iedere
volwassene, een broodbon voor één half brood per week. Dat
brood was slechts 5 cm hoog, en grauw/groengrijs van kleur en bovendien niet
gerezen.

Tot
overmaat van ramp kreeg niemand meer electriciteit. De
mensen zaten thuis met een glaasje water, bedekt met 1 cm vuile olie. Daar
bovenop dreef een kurkje met een gaatje,
waardoor een draadje katoen was gestoken. Dus
hoe moest een bakker, vrijwel zonder bloem, en zonder stroom zich staande
houden?

Ik
denk dat het brood alleen nog in grote bakkerijen werd gebakken, zoals de firma
Hus, met veel filialen door Den Haag heen. In
het laatste oorlogsjaar was het bakkerswinkeltje iedere zondag geopend. Waarvoor?
Men kon er, op een kartonnetje, een dotje “klop-klop” kopen. Te
vergelijken met stijfgeslagen eiwit, waardoor een kleurtje zat en wat zoetstof. IJs
kon niet meer gemaakt worden, want ook ijskasten werktenniet op de niet aanwezige stroom.

Toen
de bevrijding kwam, was ik 13 jaar. Daarna
kregen wij een nieuwe bakker. Inderdaad,
Van der Meer. Iedereen was er blij mee. Dus
daarom waarschijnlijk ‘de’ reden, waarom de vorige bakker is verdwenen. Gebrek
aan omzet.